BOLIVIA
Door Tim Krabbé

Fietsen in Bolivia? Het zou niet bij me zijn opgekomen. Al is fietsen een hartstocht en was Bolivia ooit mijn symbool voor de verte. Toen ik elf was en de Avondvierdaagse liep, droomde ik van cijfers als 12 of 25 op mijn lintje - jammer dat mijn andere droom, zwerven en in Bolivia terechtkomen, dat in de weg stond.
Ik had niet veel meer aan Bolivia gedacht toen ik op mijn éénenzestigste verjaardag een mailtje kreeg van een student filmregie, Wout Conijn. Op zijn twintigste was hij op een 'roeifiets' naar Tibet gereden en daaruit was zijn reisburo conijnreizen voortgevloeid, dat een jaarlijkse drieweekse fietstocht Lhasa - Kathmandu organiseerde. Als wielrenner had hij de profronde van Burkina Fasso gereden, en toen hij bij een van zijn Tibet-reizen een kijkje bij het Everest-basiskamp had genomen, was hij met een paar klimmers meegelopen tot achtduizend meter.
Kortom: de jongen die ik tijdens de Avondvierdaagse droomde te zijn. En nu was hij 26, en wilde hij zijn terrein uitbreiden met Bolivia. Ook woest en hoog. En omdat hij had vernomen dat ik weer fietste, dacht hij aan mij om dit avontuur op schrift te bewaren.
Natuurlijk zei ik meteen ja. Ik ging nog harder trainen - ik zou de oudste van de groep zijn, en ik had geen zin in de jovialiteit waarmee iedereen overal op me zou wachten.
Zelf kon Wout niet mee - hij moest weer naar school. Maar tijdens onze acclimatiseringsdagen in La Paz zien we hem nog even als hij terugkeert uit het binnenland waar hij, met een metgezel en een Boliviaanse gids, de route heeft uitgezet, gefietst en verkend.

Ik heb veel gefietst, maar iets als Bolivia had ik niet voor mogelijk gehouden. Wegen zijn daar niet, alleen 'wegen'. Op een racefiets zou er je niet ver komen; dit is het terrein voor mountainbikes, en het is onbegrijpelijk dat die heel blijven. Van de duizend kilometer van onze tocht zijn er honderd geplaveid; de rest voert over kale rots, steenslag met losse keien die als punaises omhoog steken, over ribbels, kuilen en gaten, door modder en dwars overstekende bergstroompjes. Voortdurend zwenk je van de ene kant naar de andere, zoekend naar het spoor zonder gruis dat de verlossing zal zijn van wat je hier juist zocht, het afzien. Op de smallere paden is het minst stenige spoor vaak een richel in het midden, waar je als slappekoordfietser soms enkele tientallen meters kunt rijden, hopend dat je je evenwicht daarna niet al te erg zult verliezen.
Sommige klimmen gaan tientallen kilometers lang over zulke paden, maar ik vind de afdalingen erger. Als wielrenner daalde ik al slecht; Bolivia is mijn kans om mijn gebrek aan daaltechniek aan een nieuw publiek te tonen. Iedereen vliegt me voorbij, inclusief onze verkeersveiligheidsdeskundige. 'Je moet je fiets de richting laten bepalen, je stuur in je handen laten dansen,' zegt een van onze topdalers - maar hij is een vergevorderde mountainbiker die niet voor een rotsribbel remt zoals ik, maar hem als schans voor een verre sprong gebruikt. Mijn fiets dwingt mijn handen het stuur krampachtig vast te klemmen en tot lamwordens toe te remmen, doet mijn hoofd zo op mijn schouders schudden dat ik koppijn krijg.
Soms moet ik lachen om die absurde wegen, maar in één etappe, die begint met een afdaling door de jungle naar een goudzoekersrivier, stap ik al in de eerste kilometers tweemaal af, murw van het dalen, de kramp in mijn handen, een beginnende nieuwe hersenschudding. Dit gaat te ver, conijnreizen, er was mij fietsen beloofd, dit is een pak rammel.

Bolivia is een prachtig en vriendelijk land, ideaal voor een mooie fietstocht. Op de bredere wegen geven inhalende vrachtwagens en bussen ons de ruimte, en als het op de smalle paden nodig is, wachten ze even. Maar meestal hebben we het rijk alleen - wij en onze volgwagens, één met ravitaillering en een zak meel om pijlen op de de weg te strooien, en een bezemwagen met onze bagage, en een houweel en een schep om bij mogelijke aardverschuivingen een weg te banen.
Onze vijftien etappes beginnen in La Paz op 3600 meter, en brengen ons naar hoogten van 5300 tot 900 meter. Landschappen en klimaten wisselen elkaar snel af - in één rit dalen we drieduizend meter, van de koude hoogvlakte waar we diep onder ons rivieren zien, naar die rivieren zelf, die we moeten doorwaden; van kudden lama's naar oerwoudweggetjes waar groepen prachtige vlinders hele einden meefladderen.
In de dorpjes waan je je in De Zonnetempel van Kuifje; Bolivia heeft de meest inheemse bevolking van Zuid-Amerika en in het binnenland zijn alleen maar Indianen. Twee keer komen we in een fiësta terecht; dansend in schitterende kostuums gaat men door de straat, en wij worden uitgenodigd om mee te dansen. Jongetjes met fietsen hebben niet van Lance Armstrong gehoord, maar één van hen, op een gammele fiets met overslaande ketting, klimt een kwartier lang met onze beste klimmer mee. Er zijn potentiële Tourwinnaars onder de Inca-afstammelingen.
Sommige hotels zijn verrassend luxueus. 'Is dit nou het afzien waarvoor ik heb betaald,' zegt één van ons misprijzend in een paleiselijke eetzaal met weids uitzicht over het Titicaca meer. Maar soms kamperen we, met bergstroompjes als wasplek, en in sommige restaurantjes kunnen we maar beter onze blik afwenden als we langs de keuken lopen waar ons koeienmaag-gerecht is bereid. Het alojamiento in Tacacoma, het eindpunt van een modderige, koude rit over de hoogvlakte, is onvergetelijk. In zijn routeschema had Wout vilein aangekondigd dat we er 'boven de disco' zouden slapen - wàs er maar een disco geweest, die had ons de viesheid van onze bedden met dat ene vieze dekentje misschien doen vergeten. Het enige stromende water is een kraantje naast de verre, smerige plee; 's nachts moet ik, langs pikdonkere trappen en gangetjes, die hele tocht op de tast maken. 's Ochtends spreken we met dampkegels; de waardin weigert koffie te zetten, we moeten haar coca-thee maar drinken.
Een paar dagen later logeren we midden in de jungle in een lodge waar obers in avondkleding ons bedienen en waar de Boliviaanse President, met zijn bewakingsmacht, ook wel eens een weekendje komt.

Het is een zware tocht. Je moet hier in gevoelskilometers rekenen; vijftig kilometer over deze wanwegen kan gelijkstaan aan een Parijs - Roubaix. Mijn gemiddelde komt ten slotte uit op 16,2 kilometer per uur. En al zijn er drie rustdagen, twee van onze groep van tien halen het eenvoudig niet. Eén van hen, als hij na een klim van bijna twee uur over schier onberijdbare Boliviaanse kasseien het dorpsplein van het lieflijke Coroico heeft bereikt, roept op hoge toon tegen mij: 'Ik eis dat jij schrijft dat ik alles maar dan ook alles heb moeten doen om niet huilend boven te komen!' Hij huilt niet, maar hij is te diep gegaan; hij fietst daarna niet meer.
Ik ben dan wel de slechtste daler, maar het doet me goed dat ik in de rangorde van het klimmen, die spoedig duidelijk wordt, vierde ben, vóór zes jonge gassies. Van wie er twee midden vijftig zijn; gemiddeld zijn we vierenveertig. Natuurlijk laat niemand iets merken van interesse in deze rangorde. We komen van verschillende kanten van de fietsliefde; er zijn een paar (ex-)wielrenners en twee mountainbikers; de anderen, onder wie de meefietsende Nederlandse reisleider, zijn sportieve reizigers. Voornamelijk academici; opvallend veel IT-ers. Op fotograaf Dick en ik na heeft iedereen Lhasa - Kathmandu al eens gereden.
Maar hoe mooi en bizar fietsen in Bolivia ook is, het blijft sport. Soms ontstaat er een stilzwijgend prestige-duel, en klim ik een tijdje mee met iemand die beter is, of duikt er tot mijn afgrijzen iemand naast mij op die àchter mij hoort - maar zonder vertoon van triomf zet de sterkere de minder sterke dan op zijn plaats.
Kinderachtig - maar nog kinderachtiger zou ik het vinden om mijn kinderachtigheid niet toe te geven. Als ik na tachtig kilometer in de tweede etappe, eindeloos klimmend door een vierduizend meter hoog maanlandschap dat schittert in de namiddagzon, kan ik op zeker moment niet meer en stap ik af, hopend dat niemand het zal zien. Het is hier ook moeilijk om je krachten te verdelen; je weet nooit hoe ver het nog is. Kilometerpaaltjes zijn er niet, en op de weinige richtingborden staat zelden een afstand. Wegenkaarten, met rode pijltjes bij plaatsnamen en kilometercijfertjes daartussen, kent Bolivia ook niet. Klimmen, en wachten tot het voorbij is, is alles wat je kunt doen. als waar de weg vóór je in lucht overgaat, is dat nooit het einde van de klim, maar een bocht.
Gelukkig ziet niemand me, ik sta dan ook vlak na een bocht. Maar wat ervan te denken dat ik 's avonds aan tafel in Urmiri niet alleen vertel dat ik ben afgestapt, maar ook dat ik dat na een bocht heb gedaan om de kans niet gezien te worden zo groot mogelijk te maken? Terwijl dat niet eens waar is; ik ben afgestapt waar ik niet meer kon.
Als we later die avond met z'n allen in het thermische natuurbad zitten, kan ik daar niet meer uit komen. Er zijn maar vijf stenen treden naar de plek waar mijn kleren liggen, maar op de derde moet ik gaan zitten om te wachten op kracht voor de laatste twee. De warmte van het bad, de ijle lucht, de tol van het dieper gaan dan ooit?
Het trekt weg; ik heb er geen last meer van gehad.
Soms krijg ik spijt van mijn drang tot meten - op het dorpsplein van een bergdorp, dat ik zowaar als eerste heb bereikt, zit ik te wachten, benieuwd naar mijn voorsprong, die erg groot blijkt te zijn - de anderen zijn afgestapt bij een coca-veld, en hebben van de plukkers uitleg, blaadjes en zaadjes gekregen - God weet hoe groot de struiken in hun tuinen nu al zijn.

We leven allemaal toe naar de Yunga's Weg, ook wel de 'Duivelsweg', de 'Weg des Doods', de 'Gevaarlijkste weg ter Wereld'; zo is hij genoemd door de Inter-American Development Bank die een veiliger weg probeert te financieren. Het fameuze gevaarlijke stuk zit in de dertiende etappe, als afdaling; maar een paar dagen eerder, tussen Caranavi en Coroico, rijden we al een ander stukje Duivelsweg. Het is een van de minder zware ritten, maar met een curieus kantje: in Bolivia rijdt men rechts, maar hier moeten we links houden.
Al vaak hebben onze Boliviaanse gidsen gewaarschuwd dat onze weg gevaarlijker is de Duivelsweg, en hier doen ze dat weer - kilometerslang is er inplaats van een berm, een loodrechte afgrond. Als extra verrassing stuiten we, als we tot de rivier zijn afgedaald, op een rij stilstaande vrachtwagens. Honderd meter verder is de oorzaak te zien: een brug ligt geknakt in de rivier, met de boosdoener er nog op, een vrachtwagen. Er staat een bord dat veertig ton het maximum is, dus misschien was die vrachtwagen te zwaar, of de brug te zwak geworden. De wagen is niet erg beschadigd; de chauffeur moet het hebben overleefd.
Wat nu? Hoe lang gaat dat duren? 'Tien minuten,' zeggen onze gidsen. Ik neem aan dat ze bedoelen: tussen een half uur en drie dagen, maar ik had niet goed gekeken: beneden in de rivier is al een bulldozer bezig rotsblokken weg te duwen om de oude weg, door de rivier heen, vrij te maken. Het ongeluk is een paar uur eerder gebeurd.
Voetgangers en ook enkelen van ons klauteren over de geknakte brug; ik waad maar weer eens, het heerlijk koele water tot aan de knieën, de fiets op de schouder, een grote vrachtwagen klotsend achter me aan.

Al zodra ik hem kocht was me in mijn Bolivia-gids het verhaal over de Duivelsweg opgevallen, en aan de vooravond van onze eigen kennismaking ermee, lees ik er in een internet-café nog meer over. De Duivelsweg is de dertig kilometer tussen Unduavi en Yolosa, op de weg van La Paz en Caranavi. Hij voert zonder vangrail langs een diep ravijn, en is op sommige plekken maar drieënhalve meter breed. Toch rijden er vrachtwagens en bussen, ook 's nachts en bij mist, en bij een combinatie daarvan. Komen ze elkaar tegen op een smal stuk, dan moet er gemanoeuvreerd en achteruit gereden worden. Dat gaat soms mis; soms stort er ook een uitwijkplek in, vliegt een hardrijder uit de bocht of verliest een dronkeman de macht over het stuur. En soms presteert een overwerkte buschauffeur het zelfs hier om in slaap te vallen.
Eens per twee weken stort er een auto neer; er zijn jaren geweest met tweehonderd doden. Bij één ongeluk in 1983 waren het er meer dan honderd. Er is ook een plek waar politieke gevangenen een duw hebben gekregen, en de laatste jaren zijn er mountainbikers in het ravijn gevallen. Ook één van onze begeleiders, maar hem overkwam dat op een zodanig ongevaarlijk punt dat hij er met een maand ziekenhuis en drie maanden thuisrevalidatie afkwam.
Onze Duivelswegdag begint met een eindeloze modderklim in de regen; als ik op mijn stuurcomputer kijk, vind ik het niet prettig dat die net dan op 6.66 staat. We bereiken de Yunga's Weg op een breed, geasfalteerd deel - terwijl we bij die splitsing op elkaar wachten, komen er van de kant van La Paz ploegjes fietsers omlaag, gevolgd door busjes van Gravity Assisted Mountainbiking en Eco Adventures Bolivia. Per groepje op eendere fietsjes, met dezelfde regenjasjes en helmpjes. Watjes. Maar mountainbiken op de Duivelsweg is de laatste vijf jaar uitgegroeid tot een van Bolivia's grote attracties. Ze zijn naar de 4750 meter hoge pas La Cumbre gebracht, om vandaar zestig kilometer bijna onafgebroken te dalen, de laatste dertig over de Duivelsweg.
We rijden verder; langs de kant staan stille, verwachtingsvolle honden. In hen huizen de zielen van verongelukte Duivelsweggebruikers, en daarom krijgen ze vaak iets toegeworpen. Dan houdt het asfalt op en splitst de weg zich in twee stenige paden. Links is de nieuwe, veilige weg, maar die ligt er verlaten bij; de miljoenen zijn op terwijl er nog één tunnel ontbreekt.
Rechts: de Duivelsweg. De splitsing staat vol met busjes, jeeps, mountainbikers. De sfeer is lacherig-bang, als bij een achtbaan. Boliviaanse chauffeurs sprenkelen bier en andere alcoholische dranken over hun banden, om de berggoden een veilige passage af te smeken.
Ik loop naar de rand om mijn eerste blik op de dodenvallei te werpen, en kan niet geloven wat ik zie. Over de groene, bijna loodrechte bergwand is tot zover het oog reikt een dunne kras getrokken - als een kozijn waar nog geen duif op zou durven zitten. Groter wegenbouwkundige schaamteloosheid is waarschijnlijk nergens ter wereld te vinden. Een ingenieur die met een dergelijk plan bij mij kwam zou ik meteen uit het raam duwen, maar de Bolivianen hebben die weg nog gebouwd ook. Althans, dat hebben ze in de jaren dertig door Paraguayaanse krijgsgevangenen laten doen. Slavenarbeid met ingebouwde wraak: 'Het Paraguayaanse zweet werd het Boliviaanse bloed,' las ik op internet.
Er bewegen blokjes over de kras: jeeps, minibusjes, bussen, vrachtwagens. En daar ga ik. De eerste bocht staat al vol met kruisen en gedenktekens. De weg valt mee; modderig leem met kuilen en losse stenen. Ik passeer een scheefhangende vrachtwagen maar gelukkig, die is in de greppel aan de rotskant terechtgekomen. Omdat de dalende chauffeur het ravijn links heeft, en dus het beste zicht op het gevaar, rijdt men links; een regel die tot aan Caranavi is doorgetrokken; daarom moesten we daar links rijden. Onze goede dalers vliegen hier even hard omlaag als anders, maar eindelijk komt mijn abominabele daaltechniek me van pas. Al haal zelfs ik veel eco-rollers in; ik hoef me niets van het linksrijden langs het ravijn aan te trekken omdat ik steeds alle tijd heb om een uitwijkstrook te bereiken. Het remmen gaat me makkelijk af; ik heb goeie handen vandaag.
De herdenkingskruisen aan de ravijnkant staan soms zo dicht opeen dat ze samen een vangrail vormen. Er moeten ook kruisen in de diepte liggen, meegenomen door nieuwe ongeluksauto's. Een paar keer stap ik af, om de vermetelheid van deze lugubere weg tot me door te laten dringen. Maar ook stilstaan is niet ongevaarlijk. Ik zie hoe één van ons, hurkend in een scherpe bocht aan de rand van het ravijn, een foto maakt. Een vrachtwagen passeert hem, de cabine ruim, het achterwiel rakelings - twee centimeter dichterbij, en hij was van de rand geduwd.
In een paar onoverzichtelijke bochten staan mannen en vrouwen met zelfgemaakte rood-groene draaiborden. Het zijn vrijwilligers, die hier familieleden hebben verloren. Fietsers wuiven ze lachend door, die zorgen wel voor zichzelf. Ik rij onder een paar watervallen door, kruis een paar bergstroompjes en bereik dan eindelijk, na meer dan een uur dalen, een wat zachter glooiende helling waar plotseling tientallen flinke rotsblokken omlaag komen stuiteren, de weg over. Er zijn daar wegwerkers bezig die gebaren dat ik door kan fietsen - zij zullen wel weten wat ze doen, en even later bereik ik het veilige Yolosa, op de bodem van het dal.

De volgende dag doen we de Duivelsweg nog eens, nu omhoog en in onze volgwagens; de hele rit naar La Paz, met een klim van zestig kilometer van Yolosa naar La Cumbre, zou te zwaar worden. Pas nu ik alle gelegenheid heb om te kijken, zie ik hoe griezelig het is. Ergens, een meter of vijftig diep, ligt een verpletterde vrachtwagen - de honderden andere wrakken liggen dieper, verborgen door de dichte begroeiing.
We stuiten op zo'n opstopping die vaak de kiem is van een ramp: een dalende bus en een stijgende vrachtwagen hebben niet goed opgelet, en zijn elkaar op een smal stuk van de richel tegengekomen. Nu moet de bus achteruit, naar een passeerplek. Zijn wielen zijn minder dan een decimeter van het ravijn verwijderd - maar de Boliviaanse passagiers blijven zitten. De meesten zullen deze rit al vaker gemaakt hebben, en tevreden zijn met hun overlevingskans van meer dan 99,9 %
Toch is het niet te ontkennen: onze chauffeur, die deze rit ook al vele malen moet hebben gemaakt, wordt in de laatste kilometer vrolijker, losser, haast uitbundig. Net als wij. Het zit erop, wij hebben de Duivelsweg in twee richtingen overleefd.

Wat een heerlijke opluchting om even later weer te fietsen, over asfalt maar in de steeds ijlere lucht naar La Cumbre, uitkijkend over kale bergen en bleekgroene velden. Op de koude pas bederft een plotselinge nevel binnen een minuut het uitzicht; in de lange afdaling naar La Paz haal ik even later 73 kilometer per uur, mijn record van de hele reis, slechts tien kilometer langzamer dan onze grootste durfal.
De dag daarna breek ik mijn andere record. Als slotrit fietsen we van het centrum van La Paz, op 3600 meter, naar het skistation Chacaltaya op 5300 meter, een klim van tweeëndertig kilometer. Chacaltaya is een stervend skigebiedje, want het is een wegsmeltende gletscher; de opstapplek van de skilift schijnt nu ook al 's winters sneeuwloos te zijn.
De laatste kilometers gaan steil omhoog, over kale rots en modder. Mijn stuurcomputer komt nauwelijks meer boven de 6, en af en toe onder de 5. Ik rijd 22 x 32, meer dan twee keer zo klein als het kleinste verzet dat ik als wielrenner ooit reed. Komt mijn voorwiel over een rotsribbel, dan duurt het een eeuwigheid vóór mijn achterwiel er ook over gaat. Maar omvallen moet vermeden worden; je komt niet meer weg. Voor het eerst in alle jaren dat ik fiets, ruik ik daarbij mijn eigen scheet. Soms, om mijn rug te ontlasten, ga ik even op de pedalen staan maar dat is lastig met voorvorkvering en zo'n klein verzet; je benen tollen even, je schiet naar 9 kilometer per uur, maar door de ijle lucht ben je meteen buiten adem van dat getol, en je valt terug tot onder de 5. Sturen is moeilijk, misschien ook door het gebrek aan zuurstof; ik kan dan wel vast van plan zijn om een steen, die in de verte op het pad ligt, te ontwijken - mijn fiets pest me, en laat mijn voorwiel er precies over gaan.
Ik heb in Bolivia een nieuwe truc verzonnen om het afzien te verdragen, en die komt me in deze klim goed van pas - ik zet de naar verwachting nog te rijden kilometers af op mijn trainingsrondje bij Amsterdam. En zo, van de tweede Schellingwouderbrug afsuizend, kruip ik voort over de rotsribbels van een rood modderpad, en zie ik boven me ineens een gebouwtje, balancerend op een rotspunt: het restaurantje van Chacaltaya. Even later stroomt het genot door al mijn aderen: ik heb het gehaald, het hoogste punt van de reis, de hoogste plek waar ik ooit ben geweest, en ik ben daar op de fiets gekomen.
Later die middag, terug in La Paz, bij de hoek van het straatje van ons hotel, ben ik mij scherp bewust van mijn laatste pedaaltrap, het loswrikken van mijn schoen uit de sluiting, het aan de grond zetten van mijn voeten - de tocht is voorbij, het terugverlangen begint.

© Tim Krabbé