De beklimming van LALUNG LEH (een heldendicht)

door Peter Winnen

Bram voert de kopgroep aan. Zijn tempo is barmhartig. Bram werkt bij K.P.N.. Hobby's: triatleet. Ik bewonder zijn souplesse. Schuin achter hem: Jack, net genezen van een gemene darminfectie. Vrijetijdsbesteding: liep ooit vier marathons per jaar. Baas over drie McDonalds vestigingen. Handhaaft zich knap vandaag. Achter Jack: Marius, woonachtig te Wassenaar. Mag naar eigen zeggen graag een stukje fietsen. Kaakchirurg. De vierde man ben ik. Beroep: ex-wielrenner. Ik kijk om. Recht in het smoelwerk van Jan, rijwielhersteller te Leidschendam. Momenteel geplaagd door hardnekkige bronchitis. Na Jan: niemand. Geen spoor van de zwakkeren, drie ingenieurs waarvan twee broers. Fanatici. En hoe zou het de fotograaf vergaan, Hennie, die na een inzinking van drie dagen voor het eerst weer is opgestapt? Ik neem aan dat Wout de zwakkeren bijstaat in hun nood. Wout, de sterkste en de jongste - pas een paar dagen tweeëntwintig. Student filosofie en bedrijfskunde alsmede reisbureau genaamd "Mountainbiken in Tibet" en daarmee de oorzaak van veel leed. Naar Joop geen omkijken meer. Joop stapte van morgen in Tingri, vanwaar een onbelemmerd uitzicht op de Everest, bij voorbaat in de bezemwagen. De situatie is aldus: aftandse truck, blauwgroene cabine, knoestige snuivende Tibetaan aan het stuurwiel hebbelt achter 10 - 1 avonturiers-voor-vier-weken.

De kopgroep gaat niet hard, niet om het hardst. Het is ook windkracht acht. Van voren. We kunnen niet zonder elkaar, we sluipen achter elkanders ruggen. Bram roept: "De voet van Lalung Leh op tien kilometer. Als mijn teller klopt", "Mijn hoogtemeter geeft vierduizenddriehonderd", werpt Jan tegen, "we klimmen al de hele dag!". We moeten stoppen voor een extra jack, de kou is niet te harden. Marius knijpt de remmen dicht en legt zijn rugzak af. Een voorbeeld wat gevolgd wordt door de anderen. En zo kom ik alleen op kop. Mijn extra jack ligt in de bezemwagen. Om de temperatuur wat op te jagen geef ik vol gas. Speelbal van de wind bereikt de voet van de Lalung Leh - na tien kilometer, zoals door Bram voorspeld.

Lalung Leh is onverbiddelijk schraal. Minstens zo schraal als Kamba La, Karoha, Jia Tsuco La en de klim naar Rongbuk, al bijna vergeten moordenaars. Er groeit niets, van een wegdek is geen sprake: een maan. Stuiterend van steen naar steen kust het zeemleer in mijn broek keer op keer die puist die tussen anus en scrotum huist - formaat walnoot. Nomaden langs de kant kijken verwonderd toe wanneer die vreemdeling op mountainbike pijnlijk geplooid passeert. Ik vraag me stilaan af: waarom doe ik dit? Ontbering heb ik afgezworen. Allang. Waarom doe ik dit? - zo ook de heroïek. Waarom dan? Wout? Wout aan de telefoon, een eeuwigheid geleden:

"Ga je mee naar Tibet?"
"Tibet?"
"Tibet" "Wat een voortreffelijk idee, in Tibet was ik nooit!".

"Mountainbiken. Elfhonderd kilometer over de Friendship Highway. Oude handelsroute. Inclusief passen. Stuk voor stuk vijfduizenders". Huiverend zwijgen van mijn kant. Mijn sinds jaar en dag door ongunstige levenswandel bedreigde lichaam kwam me opeens voor als een vijand. Acht jaar lang geen fiets meer aangeraakt. Wout's commentaar: "Je hebt precies een maand om je voor te bereiden".

Lalung Leh. Zevenentwintig versnellingen telt mijn fiets behalve de juiste, stel ik vast na minstens twee uur zwoegen richting top. Dertig graden uit het lood hang ik. Wind tot orkaankracht toegenomen beukt van rechts. Theoretisch gesproken onmogelijk daar rechts van mij een rotswand zich verheft. Drie stippen diep beneden in de kloof ontwaar ik. De voorsprong bedraagt dus een kwartier leert een blik op het horloge. De voorsprong op Nederland is gelijk gebleven: acht uur. Mijn vrouw nuttigt haar ontbijt nu.

Lalung Leh. Gruwzaam geërodeerd gebied. Zuurstof raakt op naarmate ik stijg. Hoestbuien met bijbehorend braken - alles op de fiets - volgen elkaar nu in snel tempo op. Diagnose: hoogteziekte. Acht ik ben er aan gewend, maar pijnlijk is het wel. Bij een hoestbui - enorme krachten komen vrij - een der ribben van het borstbeen afgescheurd, waarmee de strijd met Jack, op de hoest een concurrent, voorlopig in mijn voordeel is beslecht. Hoe mooi de natuur toch in elkaar zit, denk ik, wanneer ik tussen mijn armen door mijn malende spillebeentjes in ogenschouw neem. Er is weinig meer van over, wonderbaarlijk het aanpassingsvermogen van het lichaam. Op grote hoogte vreet het zichzelf op onder het motto: waar spier ontbreekt is ook geen zuurstof nodig - dit moet niet te lang meer duren. Daarentegen worden rode bloedlichaampjes bij de vleet geproduceerd, van iets groter slag bovendien, zodat de schade onder de streep nog valt te overzien.

Waarom doe ik dit? Orkaan woedend op volle sterkte, kwik kelderend tot staal, achter elke bocht waag ik de top te zien. Komisch. Komisch ook hoe daar, een lange stofwolk trekkend, een spook uit het verleden nadert. Ik word ingehaald door Karma. Geen schande in een land als dit. Een stem, een opgewonden reportersstem echoot in een barst van achttien jaren diep, dit: "Fabuleus winnaar van de Alpe d'Huez, nota bene debutant in de Ronde, opgerukt naar de top van het klassement, maar vooral Hinault, Bernard Hinault, in een zinderende man tegen man gestuit in zijn opmars om de Franse natie op le Guatorze Juillet een grootse victorie te schenken! Hoe voelt dat nu?!" Hoe het voelde? Ik wist het niet, niet, niet. Te lang de stierenasem van Hinault in mijn nek gehad. Te vroeg te diep gegaan. Te laat om wat dan ook te voelen - de verse held is moe, zei iemand. Uren later trekt de ploegarts de infuusnaald uit mijn ader - ultieme poging een jong lijk op te kalefateren. Hoe het voelde wist ik opeens: postcoïtaal. En daarmee was mijn levenslot bezegeld.

Lalung Leh heeft een schuin oplopend dak wat zich laat omschrijven als vlakte uitgestrektheid maar dan onder een hoek. Ik, hongerig, onverzadigbaar, gedoemd, kruip voort naar de rand van de aarde. Wat gaat sneller, fietsen of lopen? Lopen. Ik schakel een tandje terug en doe een merkwaardige ontdekking: de storm komt hier van vier kanten. Kan iemand dat verklaren. Ik niet. Naar de top, naar de top is mijn wereldbeeld. Hoger, ho-ho-hoger. Als ik uiteindelijk op het hoogste punt arriveer - het moet gezegd: het uitzicht op de Himalaya-range is oogverblindend wit - blijkt Bram tot op een steenworp genaderd. Jack en Marius verschijnen na twintig minuten. Jan vijf na hen. Op de zwakkeren is het langer wachten. Op anderhalf uur: Hennie als laatste, met angstwekkend opgezwollen hoofd. Hoogteziekte: atmosferisch drukverschil veroorzaakt vochtophoping in de weefsels. Geen beletsel voor Hennie om loeiend uit te vallen, vijf kilometer boven N.A.P. waarom er niet gewacht werd toen hij, in onderkoelde toestand, volledig uitgepierd tegen de rotsen hing. Joop vooral moet het ontgelden. Joop had, leunend op de laadklep van de bezemwagen, gezwaaid toen de truck ronkend was voorbij gestoven. Eric neemt het op voor zijn broer, geeft Hennie de volle laag door te refereren aan een voorval op weg naar Shigatse, twee weken geleden. Dit signaal brengt Jack in beweging. Wout wordt in de hoek gedrukt, als verantwoordelijk reisleider. Een levendige ruzie ontspringt waar ik versuft, postcoïtaal, geen deel aan neem. Ik hoest, tezamen met Jan in canon melodieus achtergrond gezang. Leeftijd loont. Nestor Marius sust bezwerend met de woorden: Lalung Leh, de laatste, is bedwongen, geleden hebben we, we dalen morgen af naar Nepal, als helden. Het helpt. Gelukkig maar. De avond valt, het wordt al kouder. Het kamp wordt opgeslagen.

Wind trekt heftig aan de huif. Onze truck de bezemwagen, c.q. keuken, c.q. eetzaal siddert. Wij, wollen mutsen diep over de ogen, zoeken warmte bij elkaar en bij het vuur van de twee benzinebranders waarop de paste pruttelt. Ongeduldig tikken van kampeerbestek geeft aan hoe groot de honger is van menigeen. Vlammen lekken langs de pannen, begerig. Gezelligheid is troef. Tot het vuur wel erg hoog opvlamt en de vloer in lichterlaaie komt te staan.

Paniek in de truck, maar niet bij iedereen. Ik zie hoe Hennie het matras van Snuif de Tibetaan grijpt en zich moedig op de vlammen stort. En nog eens, en nog eens. Wout raapt koelbloedig een brander uit de vuurzee - een bom in zulk een situatie - en mikt het ding naar buiten. Een ramp is afgewend. "Eén potje pasta gesneuveld, het andere gered", zegt Hennie. Helden worden in Tibet geboren, mijmer ik, gedoemde.

De hele dag geen hond gezien. Toch houdt het blaffen me tot drie uur uit de slaap. Klokslag vier - mijn vrouw kijkt naar het Journaal. Ik geef de strijd op die ik streed tegen een volle blaas. Op de top van Lalung Leh tussen berijpte tentjes laat ik het water lopen in de vriesnacht. Windstilte. Geruime tijd sta ik, de hand nog aan het lid, bewegingloos - de enigste plant aanwezig. Ik zie dit: De sterren rijzen uit de diepte links en dalen in de diepte rechts. Ze komen op beneden mijn voeten. Tussen de sterren sta ik, wat zeg ik: ster onder de sterren. En zo bereik ik onvermoed een huiveringwekkend hoogtepunt, als een held uit Hollywood. En niemand die het zag. Een hond blafte ver weg, en toen nog één.

© Peter Winnen.